Share knowledge and exchange experiences
to achieve and maintain excellent sustainable results.

Verklarende Woordenlijst

 

Bedrijfscontrolestructuur: Het raamwerk van bevoegdheden en controlemiddelen binnen een organisatie die zijn bedoeld om haar wettelijke, financiële en ethische plichten te vervullen.

 

Belanghebbende: Een persoon, een groep of een organisatie die een direct of indirect belang heeft in de organisatie, omdat deze de organisatie beïnvloedt of zelf door de organisatie wordt beïnvloed. Voorbeelden van externe belanghebbenden zijn eigenaren (aandeelhouders), klanten, leveranciers, partners, overheidsorganisaties en vertegenwoordigers van gemeenschap of de maatschappij. Medewerkers of groepen van medewerkers zijn voorbeelden van interne belanghebbenden.

 

Benadering: De algemene wijze waarop iets tot stand wordt gebracht – een benadering bestaat uit processen en gestructureerde acties die passen binnen een raamwerk van uitgangspunten en beheersprincipes.

 

Benchmark: Een gemeten prestatie als referentiepunt voor vergelijking en het stellen van doelen.

Benchmarking: Systematisch vergelijken met de benaderingen van andere relevante organisaties. Het verkregen inzicht zal de organisatie helpen actie te nemen om haar prestaties te verbeteren.

 

Creativiteit: Het genereren van ideeën voor nieuwe of verbeterde producten, diensten, processen, systemen of sociale interacties.

 

Cultuur: De specifieke verzameling van normen en waarden die worden gedeeld door mensen en groepen binnen een organisatie die bepalend zijn voor de interactie met elkaar en met de belanghebbenden binnen en buiten de organisatie.

 

Empowerment: Het proces waarbij individuen of groepen in staat worden gesteld beslissingsverantwoordelijkheid te nemen en met een zekere mate van autonomie te handelen.

 

Fundamentele Concepten van Excellence: Een set van bewezen kernprincipes waarop het EFQM Excellence Model is gebaseerd.

 

Gelijkheid van kansen: De praktijk die ervoor zorgt dat iedereen een eerlijke en gelijke behandeling krijgt ongeacht geslacht, leeftijd, afkomst, nationaliteit, religie, handicap of beperking, of seksuele geaardheid.

 

Goede praktijk: Superieure benaderingen, managementprincipes, processen of methodes die tot een uitzonderlijk resultaat leiden. Mogelijkheden om goede praktijken van andere organisaties te ontdekken zijn onder andere benchmarking en leren van anderen.

 

Innovatie: De praktische vertaling van ideeën naar nieuwe producten, diensten, processen, systemen en sociale relaties en interacties.

 

Intellectueel kapitaal: De waarde van een organisatie die niet te vatten is in een traditionele boekhouding. Het vertegenwoordigt de immateriële activa die vaak het verschil maakt tussen de marktwaarde en de boekwaarde van een organisatie.

 

Kennis: Kennis bestaat uit de expertise en de vaardigheden van een persoon verworven via ervaring en opleiding, zowel op theoretisch als praktisch vlak. In dit opzicht zijn data de ruwe gegevens, is informatie de data met context en perspectief en is kennis de informatie op basis waarvan een richting kan worden gekozen of een actie kan worden genomen.

 

Kerncompetentie: Een sterk uitgevoerde interne activiteit of een specifieke bekwaamheid van een organisatie die bepalend is voor de concurrentiepositie, de winstgevendheid of de efficiëntie van de organisatie.

 

Kernprocessen: De belangrijkste processen van de organisatie, omdat zij de implementatie van de strategie mogelijk maken en ondersteunen, en de impuls tot waardetoevoeging verzorgen.

 

Klant: Diegene die producten of diensten van de organisatie afneemt.

 

Kritieke succesfactoren: Een beperkt aantal (gewoonlijk tussen 3 en 8) kenmerken, voorwaarden of variabelen, die een directe impact hebben op de effectiviteit, de efficiëntie en levensvatbaarheid van een organisatie, een programma of een project.

 

Leiders: Diegenen die de belangen en activiteiten van al die betrokken zijn bij de organisatie coördineren en in evenwicht houden.

 

Maatschappij: de sociale structuur buiten de organisatie (de samenleving in zijn brede betekenis) die kan worden beïnvloed door de organisatie.

Managementsysteem: Het raamwerk van processen, hieraan gerelateerde prestatie- en resultaatindicatoren, procesmanagement en verbetersystemen waarmee de organisatie haar missie en visie verwacht te realiseren.

 

Medewerkers: Iedereen in dienst van de organisatie (voltijds, deeltijds, maar ook de vrijwilligers) met inbegrip van de leiders op alle niveaus.

 

Missie: Een verklaring, bevestigd door de belanghebbenden, waarin het doel of de bestaansreden van een organisatie wordt beschreven.

 

Mobiliteit: De bereidheid en het vermogen van de medewerkers om van baan of van werkplek te veranderen.

 

Organisatiemodel: Het geheel van elementen van een organisatie die waarde voortbrengen; normaal gesproken wordt hieronder verstaan de toegevoegde waarde, de winst berekening, de belangrijkste hulpmiddelen en kernprocessen van de organisatie.

 

Partner: Een om strategische redenen gekozen externe partij waarmee wordt samengewerkt om een gemeenschappelijk doel te realiseren en die voor beide een blijvend voordeel oplevert.

 

Partnerschap: Een duurzame werkrelatie tussen de organisatie en haar partners, waarbij toegevoegde waarde voor beide partijen wordt gecreëerd en gedeeld. Partnerschappen kunnen worden gevormd met bijvoorbeeld leveranciers, distributeurs, onderwijsinstellingen of klanten. Strategische partnerschappen ondersteunen de strategische doelstellingen op een welbepaalde manier.

 

Perceptie: Het beeld dat de belanghebbenden hebben van de organisatie.

 

Proces: Een reeks van activiteiten die met elkaar beïnvloeden, omdat de output van de ene activiteit de input voor de andere activiteit vormt. Processen voegen waarde toe door de omzetting van input naar output met behulp van middelen.

 

Producten: Commercieel verdeelde goederen die na productie en distributie door de klant worden gebruikt of geconsumeerd. In de brede betekenis kan dit gaan over allerlei soorten goederen, van bulkproducten tot en met complexe installaties zoals productie-eenheden en fabrieken.

Strategie: Een plan op organisatieniveau waarin de tactiek staat beschreven hoe de organisatie haar missie en visie verwacht te realiseren.

 

Toegevoegde waarde: De waardetoevoeging die een organisatie haar klanten via haar producten en diensten biedt, waarmee ze zich onderscheidt van andere organisaties.

 

Verandermanagement: De benadering waarmee veranderingen in een organisatie of een systeem worden geïmplementeerd. Deze implementatie vindt gecontroleerd plaats door een vooraf bepaald geheel van processen om de strategische doelstellingen te realiseren. Door verandermanagement wordt de overgang van een bestaande situatie naar een gewenste toekomstige situatie mogelijk gemaakt.

 

Visie: Een beschrijving van wat een organisatie op de lange termijn wil bereiken. Het is de bedoeling dat de visie een duidelijke richtlijn vormt bij het maken van keuzes voor actuele en toekomstige werkwijzen. Samen met de missie vormt ze de basis voor de strategie en de managementprincipes.

 

Voortdurend verbeteren: Het doorlopend stapsgewijs verbeteren van processen wat leidt tot een hoger prestatieniveau.

 

Waarden: Geldende ideeën en principes die de interne gedragingen van de organisatie en de relaties met externen bepalen. Waarden vormen een leidraad voor de medewerkers en verduidelijken het gewenste en niet gewenste gedrag. Waarden hebben een grote invloed op het gedrag van medewerkers en teams en geven in elke situatie de richting aan.

 

Wendbaarheid van de organisatie: Het vermogen van de organisatie om passend en tijdig in te spelen op opkomende kansen of bedreigingen.